'Het sneeuwt op de maan.' zei de hop.
Duif keek omhoog, de lucht was grauw en grijs, een bleekgeel rondje viel in voor de zon die
koude herfstochtend.
'Hoe kun je dat weten?' vroeg duif. 'Je kunt de maan nu niet eens zien.'
De hop draaide zich om naar duif.
'Dus hoe kan jij dan weten of het niet zo is?' vroeg ze met een schuin oog richting duif.
Duif fronste. Ze probeerde een antwoord te bedenken maar kon zich niet concentreren onder het gekraak van haar hersenen. Een kille herfstbries waaide om de boom en de tak waar de twee vogels op zaten boog vervaarlijk onder hun pootjes.
'Het sneeuwt ook in mijn hoofd en hart,' zei de hop en ze liet bedroefd haar snavel hangen.
Duif legde voorzichtig een vleugel over de schouder van de hop.
'Het komt wel weer goed,' zei ze bemoedigend.
'Hoe kun je dat nu weer weten?' vroeg de hop.
Dat doe ik niet, dacht duif. Dit zeg ik alleen maar omdat ik wil dat je je beter voelt.
'Zullen we eens een reisje maken naar de maan?' vroeg ze toen.
'Wie weet vinden we behalve sneeuw ook wel datgene dat goedkomt.'
Een waterig glimlachje brak door op het gezicht van de hop.
'Laten we dat doen.' zei ze.
Ze keken elkaar voor een moment glimlachend aan.
Jou glimlach verwarmt mijn hart meer dan hete thee op een koude winterdag, dacht duif.
'Zin in thee?' vroeg ze.
De hop knikte.
'Ja, lekker.'
Geen opmerkingen:
Een reactie posten