Duif vloog door een regen van vallende blaadjes naar een bosbeekje. Ze landde en keek over de het water naar de overkant waar een grote beuk net zijn laatste blaadje liet vallen.
'Nee,' zei ze.
'Doe dat nu niet.'
'Wat niet?' vroeg een stem achter haar. Duif keek om, maar er was niemand, alleen een lichte windbries die de gevallen bladeren weer omhoog deed waaien. Duif keek even in stilte naar hoe de bruine bladeren een voor een weer terecht kwamen op de modder.
'Ik wil niet dat de bomen hun bladeren laten vallen.' zei ze tenslotte. Ze keek omhoog naar de donkere takken.
'De aanblik maakt me zo koud en droevig, en zelfs een beetje leeg.' Ze keek omlaag naar het water naar haar eigen spiegelbeeld. Ze fronste, haar eigen spiegelbeeld maakte dat ze zich nog wat somberder voelde.
'Waarom?' vroeg de stem. Duif zuchtte.
'In de winter lijkt alles even dood te gaan. De bomen zijn kaal, het is koud. Veel vogels trekken naar plekken waar de zon wel schijnt. Ik houd van de herfst, maar in feite is het alleen maar de periode waarin alles langzaam sterft, voordat de winter komt die de tijd bevriest.'
'Wat dramatisch,' fluisterde de stem zachtjes. Duif knikte.
'Ik ben in een dramatische bui vandaag.' Ze klapperde even met haar vleugels.
'Het is niet alsof ik het erg vind dat dit jaar eindigt, ik ben eigenlijk wel toe aan een nieuwe lente, ik wil alleen niet eerst door de winter heen.'
'Je hebt het mis, duif.' zei de stem. Duif grinnikte, ze had het meestal mis, dus het verbaasde haar niet veel dat de stem dat zei.
'De winter is niet de tijd dat alles sterft, het is de tijd dat alles slaapt, bijkomt van de andere seizoenen. De tijd waarin het de kracht opbouwt om weer te bloeien en te stralen als de zon weer komt.' zei de stem. Er brak een klein glimlachje door bij duif.
'Ik ben wel toe aan een pauze,' gaf ze toe. De stem lachte.
'Sorry duif, maar jij slaapt niet in de winter.' Duif gaapte.
'Nee,' zei ze.
'Ik wacht alleen, tot de lente komt.'